Een andere groep die vaak vergeten wordt, zijn kinderen. De oorlog had grote impact op hen. Ze hadden te maken met angst, voedseltekort en veranderingen in hun leven. Dit gold vooral voor kinderen in grote steden, zoals Den Haag.
In het begin van de Tweede Wereldoorlog lijkt er nog niet zoveel aan de hand. De Nazi’s hebben ons land wel bezet, maar op het oog is de oorlog nog ver weg. Kinderen gaan nog gewoon naar school en spelen op straat.
Later veranderde dat. De Joden werden steeds meer geïsoleerd. Joodse kinderen moesten verplicht naar een Joodse school en verdwenen uit de klas. Joden werden opgepakt. Ook was er een schaarste aan voedsel en brandstof dat op de ‘bon’ ging. Kinderen kregen weinig te eten en werden dan ook steeds magerder. Veel kinderen raakten ondervoed.
Eén van die kinderen was Paul van Vliet, de bekende Haagse cabaretier. Paul was vier jaar toen de oorlog uitbrak. Een van zijn eerste herinneringen zijn het geluid van de vliegtuigen en de rookpluimen van het bombardement op Rotterdam, en de gevluchte Rotterdammers die werden ondergebracht in de school in zijn straat in het Statenkwartier. Ook herinnert hij zich een jongen van de Hitlerjugend die in de winter zijn slee afpakte.
Voor de aanleg van de Atlantikwall werd het blok huizen waren Paul woonde, afgebroken en werd het gezin geëvacueerd naar een huis aan de Juliana van Stolberglaan. Ze werden ingekwartierd bij een ouder echtpaar. Hierdoor moest Paul ook naar een andere school. In het huis zaten onderduikers, wat de nodige spanning met zich meebracht.
Vlakbij, in het Haagse Bos kwam een lanceerbasis van de V2’s. Het afschieten was altijd spannend, vloog hij door, of kwam hij naar beneden. Tientallen doden vielen hierdoor, in de Indigostraat en de Riouwstraat. ’s Avonds en ‘s nachts was het donker, huizen, gebouwen en straatverlichting waren verduisterd. Auto’s en fietsen mochten maar heel weinig licht uitstralen. Thuis werden op een landkaart de troepen met spelden bijgehouden.
In 1944 ging de school dicht. Er was geen brandstof en eten meer. Paul had honger. Hij vroeg aan zijn moeder een stukje kaas, al was het maar een oude kaaskorst. Zijn moeder had dat niet en barstte in huilen uit. Dit maakte veel indruk op Paul. Ook de angst van zijn ouders maakten hem bang.
De vader van Paul ging op ‘hongertocht’, met een vervalst persoonsbewijs waarop hij ouder was en niet meer opgeroepen kon worden voor de Arbeitseinsatz. Bij terugkeer in Den Haag, bij Marlot, was een controlepost. Vaak moest hij zijn spullen daar afgeven.
Het jongste zusje van Paul was zo ondervoed dat ze werd ondergebracht bij een bakker in Benthuizen. Ook Paul en zijn oudste twee zusjes gingen op kindertransport, naar Friesland. Zijn ouders kregen één dag om te beslissen. Ze reden in een bus door de nacht en werden onderweg meermalen beschoten. Eén keer moesten ze allemaal de bus uit en in een greppel gaan liggen. Via Leeuwarden gingen ze met een schip naar Garijp, maar werden ook daar beschoten. Alle kinderen werden het weiland in gejaagd.
Paul kwam in huis bij de wagenmaker van het dorp, de familie Kuypers. Hij kreeg gelijk te eten, maar viel flauw omdat hij eten niet meer gewend was. Zijn zusjes zaten in hetzelfde dorp, één bij de dokter en één bij een winkelier. Paul ging naar school, maar moest zich letterlijk invechten. Hij kreeg klompen waar hij niet op kon lopen, maar wel mee kon vechten. Paul werd een Fries, hij sprak Fries en noemde zich Paul Vlietstra. Met de familie Kuypers werd nog lang contact gehouden. De bevrijding werd in Friesland meegemaakt: vluchtende Duitsers, Canadezen, chocola en de eerste sigaret.
Paul en zijn zusjes maakten het bombardement op het Bezuidenhout niet mee, hun ouders wel, ze schuilden eerst in de kelder, later vluchtten ze en vonden een huis in de Roelofstraat. De Van Vliet’s raakten alles kwijt. Ze kregen spullen van vrienden, familie en Volksherstel.
In juni 1945 kwamen de kinderen Van Vliet naar Den Haag, naar de Roelofstraat. Paul was een beetje losgeslagen en kon zich moeilijk weer aanpassen. Hij werd onhandelbaar. Hij vond het moeilijk om gezag te accepteren. Met een vriendje ging hij de duinen in waar nog mijnen lagen en in de bunkers zocht hij naar gevaarlijk ontplofbaar spul. Om weer in het gareel te komen woonde hij een tijdje uit huis, in het Burgerweeshuis aan de Hooftskade. Uiteindelijk is het goed gekomen.
Tijdens de oorlog had Paul van een Joods klasgenootje, Japie Groen, van wie hij wat speelgoed had gekregen. Na de oorlog begreep hij wat er met hem was gebeurd. Hij maakte in 1998 een gedicht voor hem en zette het op muziek, ook voor wat de Joodse kinderen was aangedaan:
JAPIE GROEN
DE EEUW IS OUD DE EEUW IS MOE
EN SUKKELT NAAR Z’N EINDE TOE
ER KOMEN ANDERE TIJDEN
DE TOEKOMST WENKT DE TOEKOMST LOKT
MAAR DAT MIJ SOMS DE ADEM STOKT
DAT IS NIET TE VERMIJDEN
WANT IK DENK NOG VAAK AAN JAPIE GROEN
MIJN JOODSE KLASGENOOT VAN TOEN
DIE NAUWELIJKS MOCHT LEVEN
DIE MIJ VOOR HIJ WERD OPGEPAKT
EN IN DIE WAGEN WERD GESMAKT
ZIJN SPEELGOED HEEFT GEGEVEN
EN ACHTER IEDER JOODS GEZICHT
ZIE IK HET ZWARTE DOODSBERICHT
DAT NOOIT MEER ZAL VERDWIJNEN
VERMOORD VERNEDERD EN VERSCHOPT
EEN WERELDBEELD DAT NOOIT MEER KLOPT
DOOR DE KAMPEN EN DE TREINEN
DE EEUW IS STRAKS GESCHIEDENIS
EN HET IS GOED DAT DAT ZO IS
DIE WORDT NETJES OPGEBORGEN
MAAR VAN DIE HELE EEUW VAN TOEN
BLIJFT TOCH DAT BEELD VAN JAPIE GROEN
DIE ÉNE VAN DIE ZES MILJOEN
EN DAT NEEM IK MEE NAAR MORGEN
[Paul van Vliet – Japie Groen – YouTube]
[VUUR van de Vrijheid – Paul van Vliet en Phion ‘Japie Groen’ (2022)]
